Geschiedenis van het ras

Geschiedenis van het ras

De Old English Sheepdog, OES, ofwel de Bobtail, is een hond met een geweldige geschiedenis. Het ras lijkt al af te stammen van voor 1771. Op deze pagina leest u alles over de wonderbaarlijke geschiedenis van de Old English Sheepdog (OES).

 

He was a gash and faithful tyke,

as ever lap a sheugh or dike,

His honest sonsie baws'nt face

Aye gat him friends in ilka place

His breast was white, his touzie back

Weel clad wi'coat, grey and tones of black

His gaucie tail, wi' upward curl

hung ower his hurdies wi' a swirl.

(gedicht uit 1840, auteur onbekend)

 

Voor veel mensen is het een verrassing dat de Old English Sheepdog tot de grote groep van de Herdershonden 1behoort. Zij denken bij ‘herdershond’ vooral aan honden die op een Duitse, Belgische of Hollandse Herdershond lijken. Een gestrekte bouw, staande oren, een lange staart, een korte tot middelmatig lange stokharige vacht zijn echter niet het absolute kenmerk voor een herdershond. In de loop der jaren heeft zich, afhankelijk van verschillen in het klimaat, terrein en verlangde prestaties, een groot aantal wat het uiterlijk betreft zeer uiteenlopende ‘schepershonden’ (schaapherdershonden) ontwikkeld. De Old English Sheepdog is nauw verwant aan de Bearded Collie, en lijkt wat zijn uiterlijk betreft sterk op de ruigbehaarde schepershonden op het vasteland van Europa.

 

Voor (aanstaande) OES-eigenaren is het erg goed om wat inzicht te krijgen in de geschiedenis, en daardoor in de aangeboren eigenschappen van het ras. Al te vaak wordt namelijk een Old English Sheepdog aangeschaft omdat mensen vinden dat hij er zo lief uitziet, of omdat zij hem in een televisieserie (“Samson”) 2hebben gezien en hij het daar zo leuk deed. Het is echter van groot belang om te weten dat men zich een van oorsprong werkhond aanschaft, die ook nu nog wat te doen moet hebben om actief te blijven. Of dat werk nu bestaat uit een huiselijke vorm van apporteren, bijvoorbeeld de krant uit de brievenbus halen, of dat men met hem traint als reddingshond of maakt in principe weinig uit. Het is het voornaamste dat men met de hond bezig is. Om een ras werkelijk goed te leren kennen is het dan ook nodig meer over het ontstaan ervan te weten.

 

Alle honden stammen af van de wolf. Tot deze ontdekking is men gekomen door proefparingen en gedragsonderzoek. Uit de combinatie van een wolf met een poedelteef bleken poedelwolfjes te komen, die een combinatie van de eigenschappen van beide ouders vertoonden. De paring van een wolf met een hond heeft evenveel kans van slagen als die van twee honden. Men heeft een tijdlang aangenomen dat de jakhals de voornaamste voorouder van de hond was, maar uit onderzoek is gebleken dat dit niet zo waarschijnlijk is. Weliswaar kunnen uit de combinatie van jakhals en hond soms pups geboren worden, maar hun gedrag en andere eigenschappen verschillen nogal van de uit de combinatie wolf en hond geboren dieren. Onze moderne huishonden vertonen overigens nog erg veel gedragseigenschappen die sterk overeenkomen met de gedragingen van in het wild levende wolven. De wolf is geen specialist, maar een allround jager, speurder, waker, hoeder en wat er verder nog aan ‘hondse’ eigenschappen te bedenken valt. Natuurlijk was de ene getemde wolf beter in het ene onderdeel dan in het andere. De mens kwam, door het fokken van vee, toen ook op het idee bepaalde eigenschappen van de wolf nog bruikbaarder te maken.

De wolf bezit bijvoorbeeld de eigenschap prooidieren te omcirkelen en bovendien wil hij graag de eigen groep bij elkaar houden. Deze twee eigenschappen, gecombineerd met een min of meer wegvallen van de agressie ten opzichte van tot een vaste groep behorende prooidieren, maakte het ontstaan van de schepershond mogelijk. Onze verre voorouders paarden de tamme wolven met sterke hoedende (omcirkelende) en bewakende eigenschappen met elkaar. Door dit steeds weer te herhalen ontstond er een selectie op deze eigenschappen en was de schepershond geboren. In het begin zal de taak van deze honden hoofdzakelijk bestaan hebben uit het bewaken van de kudden tegen de aanvallen van wilde dieren, waaronder zijn eigen soortgenoten de wolf. De veehouders uit die tijd wilden het liefst grote, lichtgekleurde honden hebben, die zó sterk waren dat zij het tegen beren en wolven konden opnemen. Doordat de wolf over de hele aardbol verspreid in veel verschillende maten en soorten beharing voorkwam, was er genoeg genetische variatie voorhanden en kon men ook gaan selecteren op zeer uiteenlopende lichamelijke en geestelijke kenmerken. De grote berghonden, zoals de Pyrenese Berghond, de Berghond van de Maremmen, de Komondor en de Tatrahond behoren tot de moderne varianten van deze eerste soorten vee bewakers en -hoeders.

 

Toen mens en hond de wolf steeds verder verdreven, kreeg men behoefte aan een kleinere, snellere hond die de kudde op de weide bij elkaar kon houden. Naast de zware berghonden die voor de bewaking zorgden, ontstonden nu de schaapshonden. Zij waren kleiner, wendbaarder, vaak zeer intelligent en hadden een ruige vacht om hen tegen de weersinvloeden te beschermen. De zware jongens bleven ondertussen in de bergstreken goede diensten leveren als bewakers; vooral ‘s nachts als de herders en zijn schaapshonden sliepen deed hij voortreffelijk werk. In veel Europese landen zien we ruige, snelle en pientere schaapshonden ontstaan, bijvoorbeeld de Nederlandse Schapendoes, de Duitse Schafpudel, de uit Hongarije afkomstige Puli, Pumi en Mudi, de Pyrenese Herdershonden (niet te verwarren met de Pyrenese Berghond), en de wat grotere Briard, Bearded Collie en natuurlijk de Old English Sheepdog.

 

Onze Old English Sheepdog is eigenlijk een tussenvorm. Hij is aan de grote kant voor een echte schaapshond, maar hij heeft wel diens ruige vacht en hoedende eigenschappen. In feite werd hij in Engeland en Schotland ook gebruikt voor het hoeden en drijven van koeien en paarden. Door zijn formaat beschikt hij over een zekere weerbaarheid, maar in een gevecht met een flinke wolf zal hij toch normaal gesproken het onderspit moeten delven. Het is overigens typisch dat in de verschillende gebieden van Europa toch eenzelfde soort hond voorkomt. Klimaat, terrein en bruikbaarheid voor dat bepaalde soort werk moeten hiervoor de oorzaak zijn. De handel die er tussen de verschillende landen bedreven werd, waarbij men ook tot een uitwisseling van dieren kwam, zal zeker ook zijn invloed hebben gehad op de verspreiding van de schepershonden door Europa.

 

De Old English Sheepdog lijkt dus op soortgenoten op het vasteland van Europa. Vooral met de nu nog maar zeldzaam voorkomende Owcharka, een Russische berghond, ziet men nogal veel overeenkomsten. De Owcharka wordt geschreven als een hond met een schofthoogte tot 80 centimeter en een gewicht van ongeveer 45 kilogram. De vacht was niet zo lang, maar had wel de neiging tot vervilten. Hij was blauw-grijs, rossig, zwartachtig of vuilwit van kleur. Ook de Komondor, de Puli en de Italiaanse Bergamasco hebben vachten die zullen vervilten. De Old English Sheepdog heeft echter een dubbele vacht, dat wil zeggen een boven- en een ondervacht, die alleen bij onvoldoende verzorging een neiging tot vervilten zal vertonen.

 

De naam Old English Sheepdog (OES) is de officiële benaming voor dit ras. Toch kennen en gebruiken we allemaal bij tijd en wijle de naam Bobtail, omdat deze korter is en gemakkelijker te onthouden. Het woord Bobtail slaat op het ontbreken van de staart, althans het zichtbare gedeelte ervan. In de loop van de geschiedenis is het ras ook met andere namen aangeduid:

- Sussex Sheepdog,

- English Sheepdog,

- Shepperds Dogge en

- Self-tailed Sheepdog.

Zijn daarvan de meest bekende. Deze laatste naam slaat op het toen in verhouding vaker voorkomen van honden die van nature staartloos of stompstaartig waren geboren. In 1888 werden voor de eerste keer raspunten opgesteld en werd het ras bekend onder de nu gangbare namen Old English Sheepdog, OES en Bobtail.

 

Bobtailachtige honden komen al voor op schilderijen van oude meesters. Bijvoorbeeld op schilderijen van Dürer en Van Eyck. De afgebeelde schepershonden waren vertoonden een sterke gelijkenis, waren middelmatig groot, hadden een ruige beharing en een vrij groot hoofd. Tevens bestaat er een schilderij van Gainsbourough (1771) voorstellende de Duke van Buccleuch waarvan wordt aangenomen dat de hond een Old English Sheepdog was. Men kan echter niet met zekerheid vaststellen of het hier om de voorouders van de OES of de Bearded Collie gaat. Het is trouwens heel waarschijnlijk dat beide rassen eenzelfde oorsprong hebben. Zelfs nu nog is de gelijkenis tussen een OES en een Bearded Collie pup verbluffend. Op een schilderij van Sidney Cooper genaamd “From Nature”(1835) wordt een liggende Old English Sheepdog afgebeeld.

 

In 1844 schrijft men dat de originele Engelse Schepershond groter en minder langharig is dan de Collie; ook vermeldt men dat de staart soms erg kort is. In 1845 verdeelde W.C.L. Martin in zijn boek ‘The history of the dog’ de Britse Schepershonden in drie soorten. Een soort met lang golvend haar en een staart met een vlag, en een noordelijk ras met een dichte, wollige vacht die kon vervilten. Deze twee soorten hadden rechtopstaande of bijna staande horen (tiporen zoals bij de Collie). Het derde soort was groter en was de hond van de veedrijver. Gewoonlijk had hij een korte of wollige vacht en niet zelden werden zij met korte staarten geboren; men noemde hen daarom self-tailed. Deze laatste soort zal de voorouder van de OES zijn geweest. Twee jaar later schreef Richardson: ‘De schepershond van Engeland is veel groter en sterker dan de Collie en hij lijkt meer op een kruisings-product van de zware beerachtige waterhonden.’ Waarschijnlijk zijn hier de Newfoundlands mee bedoeld. Stonehenge schrijft in 1872 dat de Engelse Herdershond kort- of langharig is en dat hij voorkomt in de kleuren grizzle zwart en rood brindle; al deze kleuren met of zonder witte vlekken. Tevens vermeldt hij dat er geregeld wall-eyes (blauwe ogen) voorkomen. In 1883 komt er al wat meer overeenkomst met onze huidige Old English Sheepdog. Oldstone beschrijft dan namelijk een door hem gekeurde klas van herdershonden als volgt: ‘Het zijn typische Old English Sheepdogs; de beharing is ruig en blauw of grizzle van kleur; de honden hebben flinke ledematen, hebben kleine oren en ogen en staan oog op de benen; zij zijn kortstaartig en nors van aard.’ Het eerste boek wat volledig gewijd was aan de Old English Sheepdog kwam in 1905 van de hand van Aubrey Hopwood en wel “The Old English Sheepdog from Puppyhood to Championship”.

 

Vroeger werden alle schepershonden uitsluitend gehouden voor het werk. De herder was niet geïnteresseerd in het uiterlijk van zijn honden, zolang ze maar lichamelijk en geestelijk in staat waren hun taak te verrichten. Er werd dus alleen geselecteerd op werkeigenschappen, maar toch ontstonden er in de verschillende delen van het land verschillende typen schepershonden. Klimaat en de gesteldheid van de bodem, alsmede het soort werk dat van de hond verlangd werd, zoals hoeden, drijven, bewaken, zorgden ervoor dat er eenheid in type in een bepaalde landstreek ontstond. Toen erdoor verder gaande industrialisatie minder vraag naar werkende honden kwam, waren vele schepershonden min of meer overbodig geworden. Gelukkig voor hen begon er in die tijd belangstelling te komen voor rashonden, en voor het doelgericht fokken en showen van de diverse rassen. Een invloedrijk persoon in die tijd was Charles Cruft. Charles Cruft werd rijk in de James Spratt's Meal Fibrine Dog Cake en kwam in de vorige eeuw op het idee hondenkoekjes in de Verenigde Staten aan de man te brengen. Het werd een enorm succes en Cruft werd namens de firma handelsreiziger en bezocht kennels in een groot aantal landen. Op deze wijze raakt hij bekend in de hondenwereld en zag niet alleen zijn fortuin maar ook zijn invloed stijgen.Hij was een fervent liefhebber van hondenrassen en zijn persoonlijke voorkeur ging uit naar het Terrier ras. Na complimenten van de Duchess of Newcastle, besloot hij in een Londen bij de Central Royal Aquarium in Westminster een Terriershow te gaan houden, waarbij hij zijn zes Terriers ging showen. Zijn zevende show werd verschillend t.o.v. van zijn Terrier shows, want bij deze show konden alle rassen zich inschrijven, zo ook de Old English Sheepdog. Sinds die tijd is het Old English Sheepdog ras steeds meer in trek geraakt als huis- en showhond. Zo werd deze show de voorloper van de huidige gerespecteerde Crufts Dog Show.

 

De OES is niet, zoals vele moderne rassen, samengesteld uit een aantal andere soorten, maar kwam in zijn oervorm al vele honderden jaren in Engeland voor. Omdat het ras zo oorspronkelijk en oud is, zijn er weinig of geen geschreven berichten over de vroege opbouw beschikbaar. Overal op het platteland werden Bobtailachtige honden door de schapen en vee houdende bevolking gehouden. Toen het ras de aandacht van het grotere publiek begon te trekken, werden er pups van de boerderij aan de liefhebbers in de steden verkocht. Deze honden hadden geen stamboom en hun afstamming was meestal onbekend. Toch waren er enkele zeer kenmerkende dieren onder, die een grote betekenis voor het ras zouden krijgen. Het is voor de hedendaagse OES-liefhebber zeer interessant om te lezen wat iemand die het ras heeft meehelpen opbouwen als ideaal zag. Nu zijn we bijvoorbeeld van mening dat een witte vlek in het gekleurde gedeelte al te veel is. Maar Mr. Tilley kende zelfs geheel witte honden! De enorme vacht die we nu zien op onze showhonden was voor de werkhond van vroeger een nadeel. De vacht zal toen niet zo lang zijn geweest, en het werk in ruig terrein zal ook voor ‘uitdunning’ hebben gezorgd. Er zijn honden die takjes, sprietjes en zaden die in hun vacht vast komen te zitten, zelf verwijderen. Er zal dan ook weleens wat haar mee uitgetrokken worden, maar daar zal de herder zich vroeger zeker niet druk om hebben gemaakt!

 

Voor deze tekst is gebruik gemaakt van de onderstaande bronnen:

- Dogs of all Nations (by Mason, Walther Esplin - 1867)

- The Old English Sheepdog (by Sanford, William R./Green, Carl R - 1927)

- The Illustrated Book of the Dog (by Vero Shaw - 1840 /1910)

 

 

  • 1. De Old English Sheepdog is door de FCI ingedeeld in: > Group 1 Sheepdogs and Cattle Dogs (except Swiss Cattle Dogs). > Section 1 Sheepdogs.
  • 2. Op WikiPedia wordt Samson als Bearded Collie beschreven